Wat is droes?

Droes is een zeer besmettelijke infectie van de luchtwegen die overal ter wereld paarden treft en wordt veroorzaakt door de bacterie Streptococcus equi subspecies equi. De ziekte is gekenmerkt door een ontsteking van de bovenste luchtwegen en abcessen in de lymfeklieren van het hoofd en de nek.

De ziekte maakt het moeilijk voor paarden om te ademen en kan dieren van elke leeftijd, geslacht of ras treffen. Droes is endemisch bij paarden, wat betekent dat de ziekteverwekker blijft circuleren in paardenpopulaties.

 

Wereldwijde prevalentie van droes

Droes is een van de vaakst vastgestelde infectieziekten bij paarden, ezels en pony’s. Er zijn gewoonlijk tussen vijf en honderd keer meer uitbraken van deze luchtwegeninfectie dan van paardeninfluenza1, 2, 3

Grote droesuitbraken kunnen honderden paarden treffen en hebben een belangrijke financiële impact en grote gevolgen voor het welzijn.
Alleen IJsland blijft droesvrij wegens een verbod op de invoer van paarden dat al langer dan 1.000 jaar van kracht is.

Paarden reizen de hele wereld rond om deel te nemen aan paardenevenementen. Dit gaat uiteraard gepaard met een risico op overdracht van infectieziekten.

Recent werd een wereldwijd platform voor genoomonderzoek van S. equi opgezet. 670 isolaten afkomstig uit 19 landen zijn bestudeerd. Dit unieke project heeft talrijke voorbeelden aan het licht gebracht van de verspreiding van S. equi over de hele wereld en het belang aangetoond van bioveiligheid, diagnostische tests en vaccinatie voor de preventie van ziekte-overdracht. Deze studie heeft zes grote clusters van S. equi (BAPS-types) geïdentificeerd. Daarbij werd ook vastgesteld dat BAPS2 is ontstaan en de dominante cluster is in Europa.

Dezelfde S. equi-variant werd aangetroffen bij paarden in Argentinië, de Verenigde Arabische Emiraten en het Verenigd Koninkrijk. Dit is slechts één voorbeeld van de grensoverschrijdende transmissie van S. equi.

  • koorts (lichaamstemperatuur >38,3oC)
  • ​neusvloei
  • lichte, natte hoest
  • sloomheid
  • verlies van eetlust
  • abcessen in de lymfeklieren van hoofd en nek (en in zeldzame gevallen ook op andere plaatsen in het lichaam)
  • abnormale ademgeluiden door belemmering van de luchtstroom
  • tot 100% morbiditeit en 10% mortaliteit (bij een zeer infectieuze dosis)

De diagnose is in eerste instantie gebaseerd op de vaak voorkomende klinische symptomen, zoals koorts, sloomheid, verlies van eetlust, neusvloei, gezwollen pijnlijke lymfeklieren en op de duur het openbarsten van de lymfeklier.

Soms worden de bacteriën via het lymfevatenstelsel of de bloedvaten getransporteerd naar andere lymfoïde weefsels of andere lichaamsorganen, wat gepaard gaat met andere klinische verschijnselen.

  • Alle paarden hebben twee luchtzakken. Deze zijn uitpuilingen van het middenoor.
  • S. equi komt in de luchtzak terecht tijdens de ziekte en overleeft hier bij ongeveer 10% van de herstelde paarden. Deze worden “dragers” genoemd.5, 6
  • Dragers zien er gezond uit, maar zijn toch in staat droes te verspreiden naar andere paarden.

Hoe kan droes het best worden voorkomen?

Gezien de impact die een uitbraak van droes kan hebben vanuit een welzijns- en economisch perspectief, is het voorkomen van de bacteriële infectie veel aantrekkelijker.

Bioveiligheid en vaccinatie zijn de twee belangrijkste aspecten van preventie en ze gaan hand in hand.

Bekijk de video hieronder om meer te weten te komen over preventieve maatregelen voor de bestrijding van droes:

 

  • Nieuwe paarden op een bedrijf moeten gedurende minstens drie weken in quarantaine geplaatst worden om te vermijden dat zij direct of indirect (via voor andere paarden gebruikte materialen) contact zouden hebben met andere paarden.
  • Test de paarden op droes met serologische testen en endoscopie van de luchtzakken. Dit gebeurt om met S. equi geïnfecteerde dieren te identificeren en bij voorkeur voor hun aankomst of tijdens de quarantaine.
  • Paarden mogen geen drinkbakken delen. Ook direct contact met andere paarden tijdens het bijwonen van paardenevenementen moet worden vermeden.
  • Reinig en ontsmet regelmatig alle voeder- en drinkbakken, kleding, stallen en andere voorzieningen op uw erf.
  • Reinig en ontsmet paardenboxen/trailers voor en na het ophalen van nieuwe paarden.
  • Was uw handen tussen het omgaan met verschillende paarden.
  • minder ernstige klinische symptomen;
  • minder abcessen en verspreiding van de ziekte;
  • verbeterde bescherming, zowel voor het individuele dier als op bedrijfsniveau;
  • minder risico dat paarden droes oplopen bij verplaatsingen naar andere bedrijven of tijdens het bijwonen van paardenevenementen.

Vaccinatie is gericht op een maximale groepsimmuniteit. Deze wordt bereikt wanneer een groot deel van een populatie is gevaccineerd. Dit bemoeilijkt de verspreiding van ziektekiemen, omdat er maar weinig dieren overblijven die besmet kunnen raken en de ziekte kunnen overdragen.

DIVA staat voor: Differentiate Infected from Vaccinated Animals.

Onlangs is een nieuw intramusculair droesvaccin beschikbaar gekomen dat geen levende of dode S. equi-cellen bevat, maar in plaats daarvan de immuunrespons van paarden richt op acht belangrijke eiwitten, om zo maximale bescherming te kunnen bieden. Deze eiwitten zijn niet dezelfde als de eiwitten die worden gebruikt in de diagnostische bloedonderzoeken om droesinfecties op te sporen.

Paarden die met een DIVA-vaccin zijn gevaccineerd, kunnen evenementen en veilingen bijwonen of naar een andere stal worden overgebracht zonder positief te testen, tenzij ze met S. equi zijn besmet.

Veelgestelde vragen over vaccinatie tegen droes

Jonge en oude paarden lopen het grootste risico op ernstige ziekte bij een infectie met S. equi. Vaccinatie beschermt deze kwetsbare paarden tegen mogelijke introducties van S. equi. Vaccinatie is ook sterk aanbevolen voor:

  • paarden vóór hun deelname aan wedstrijden of veilingen of mogelijke blootstelling bij evenementen;
  • paarden in gebieden met bekende droesuitbraken.

Vaccinatie van alle paarden op het bedrijf leidt tot groepsimmuniteit en vermindert het risico op ziekteverspreiding.

Er zijn enkele vaccinatierichtlijnen die moeten gehanteerd worden in geval van een uitbraak of in zeer risicovolle situaties.

  • Paarden met klinische symptomen en paarden die contact hebben gehad met deze paarden mogen niet gevaccineerd worden.
  • Gevaccineerde paarden die geen contact hebben gehad met geïnfecteerde paarden:
  1. Laatste dosis > twee maanden: boosters zullen de immuniteit verhogen;
  2. Laatste dosis < twee maanden: geen booster vereist.
  3. Ongevaccineerde paarden: start de basisvaccinatie– dit biedt een gedeeltelijke bescherming vanaf twee weken na de tweede dosis.

Dat hangt af van het bioveiligheidsbeleid van de stallen en of het paard ook is ingeënt tegen andere besmettelijke paardenziekten zoals paardeninfluenza en equine herpes. Met betrekking tot droes zal het risico aanzienlijk kleiner zijn geworden.

Dit wordt bepaald door het type vaccin dat is gebruikt. Als een DIVA-vaccin gebruikt werd, zal het paard niet positief testen, tenzij het met S. equi besmet was.

Over het algemeen wordt aangeraden om niet te trainen met paarden gedurende twee tot drie dagen na vaccinatie. Ook een verhoogde lichaamstemperatuur als reactie op de vaccinatie is een bepalende factor. Voorbijgaande koorts na vaccinatie is niet uitzonderlijk. Dit maakt namelijk deel uit van de activering van het immuunsysteem.

Hoe kan droes bevestigd worden met diagnostische tests?

 

Klinische monsters (aspiraten van abcessen, neusswabs, nasofaryngeale swabs/spoelingen of luchtzakspoelingen) worden op cultuurmedia geënt om gedurende 24 uur levende S. equi-bacteriën te kweken. Bacteriekoloniën groeien op deze cultuurmedia, die lactose, sorbitol of trehalose bevatten. S. equi fermenteert deze suikers niet (het medium wordt niet zuur en de pH-indicator blijft paars). Andere bacteriën, zoals S. zooepidemicus fermenteren lactose en/of sorbitol, waardoor de voedingsbodems geel verkleuren.

Voordelen

  • Toont de aanwezigheid van levensvatbare S. equi aan.

Nadelen

  • Neemt enkele dagen in beslag.
  • Lage gevoeligheid (60%)
  • Wordt beïnvloed door contaminatie.
  • Vereist uitscheiding van S. equi.
  • Een negatief fermentatieresultaat (d.w.z. geen verzuring van de suikermedia) = een positief resultaat voor S. equi. Verontreiniging met andere bacteriën is dus problematisch voor deze test.
  • S. equi moeten worden verzameld en gescheiden van verontreinigende bacteriën aanwezig in het bij het paard afgenomen monster.

Gebruik

  • Bevestiging van droes op basis van aspiraten afkomstig van lymfeklierabcessen.

Klinische monsters zoals hierboven vermeld worden gecentrifugeerd tot een cel pellet. DNA wordt uit de cel pellet gezuiverd en met PCR worden één of meerdere genen opgespoord die specifiek zijn voor S. equi.

Voordelen

  • Snel (resultaten beschikbaar op dezelfde dag - de test kan binnen een uur worden uitgevoerd).
  • 90% gevoeligheid.
  • 95%  specificiteit = gouden standaardtest.

Nadelen

  • Verontreiniging van de apparatuur (bv. endoscopen) kan tot foutpositieve resultaten leiden.
  • Vereist uitscheiding van S. equi.

Gebruik

  • Bevestiging van droes bij acute en persisterende infecties.

Bloedstaal laten stollen en serum verwijderen. Het serum wordt verdund tot 1:800 en op de testplaten aangebracht. Antistoffen gericht tegen de twee testproteïnen van S. equi binden zich op de testplaten en worden gedetecteerd met een anti-paardenantistof, met een gele verkleuring tot gevolg. Hoe intenser de gele verkleuring, hoe meer antistoffen gericht tegen de twee testproteïnen van S. equi aanwezig zijn. Testresultaten van 0,5 of hoger wijzen op een positieve test.

Voordelen

  • Eenvoudige monstername (1 ml bloedserum is voldoende).
  • Snel (resultaten dezelfde dag).
  • >95% specificiteit voor droes.

Nadelen

  • Kan niet alle geïnfecteerde paarden opsporen (seroconversie vindt plaats twee weken na infectie).

Gebruik 

  • Screeningtool om paarden te identificeren die verder onderzocht moeten worden.

Wat is de aanpak bij een uitbraak en hoe wordt droes behandeld?

  • Schiet meteen in actie!
  • Laat paarden niet van het erf vertrekken, laat er geen nieuwe bij komen.
  • Isoleer alle paarden als voorzorgsmaatregel terwijl u overlegt met uw dierenarts en regelingen treft voor verder onderzoek.
  • Pas de “verkeerslicht”-strategie toe om paarden in groepen onder te brengen en het risico voor andere paarden op het erf en in de omgeving tot een minimum te beperken.
  • Let op de klinische symptomen van droes. Meet de lichaamstemperatuur van alle paarden minstens twee keer per dag.
  • Breng de paarden met symptomen onder in de “rode” groep om het risico op besmetting van andere paarden zoveel mogelijk te beperken.
  • Ontsmet na een uitbraak de stallen, de paddocks en de voorzieningen om ze infectievrij te maken.
  • Identificeer dragers en laat ze behandelen om persisterende infecties te verhelpen en nieuwe uitbraken te voorkomen.

Behandeling van acute gevallen

De meeste besmette paarden herstellen van droes zonder behandeling. De herstelperiode is echter relatief lang en duurt meestal drie tot zes weken in afwezigheid van complicaties.

Een vroege antibioticakuur (penicilline) bij geïnfecteerde paarden kan het ontstaan van abcessen voorkomen.

Maar:

  • Lymfeklierabcessen groeien zo snel dat antibiotica ze onvoldoende kunnen penetreren.
  • Het is mogelijk dat de behandeling meerdere weken moet aangehouden worden. De infectie kan ook weer opflakkeren na stopzetting van de behandeling, waardoor de herstelperiode wordt verlengd.
  • Ook wordt antibioticaresistentie gemeld (12,5% van de isolaten in het Verenigd Konikrijk in een recente studie).7
  • Een antibioticabehandeling kan de natuurlijke immuniteit verstoren.8

Ernstige gevallen vereisen spoedbehandeling met antibiotica, corticosteroïden en/of chirurgische ingrepen (tracheostomie).

Behandeling van dragers

  • Chondroïden in de luchtzakken moeten fysiek verwijderd worden.
  • Procaïnebenzylpenicilline wordt in de luchtzakken ingebracht.
  • Een systemische antibioticakuur van twee weken kan noodzakelijk zijn.
  • Infectievrije status moet met herhaalde endoscopie en spoelingen bevestigd worden.

Aanvullende informatie

Aanvullende informatie over droes, de behandeling van de luchtweginfectie, de aanpak van uitbraken en de bestrijding van de ziekte is te vinden op:

  1. Pusterla et al. Surveillance programme for important equine infectious respiratory pathogens in the USA. Vet Rec 2011;169:12. 

  2. Defra quarterly disease surveillance reports. 

  3. Boyle et al. Streptococcus equi infections in the horse: guidelines for treatment, control, and prevention of strangles – Revised Consensus statement. J Vet Intern Med 2018;32:633-647. 

  4. Mitchell et al. Globetrotting strangles: the unbridled national and international transmission of Streptococcus equi between horses. Microb Genom 2021;7:1-14. 

  5. Newton et al. Detection and treatment of asymptomatic carriers of Streptococcus equi following strangles outbreaks in the UK. Equine Infectious Diseases VIII: Proceedings of the Eighth International Conference, Dubai, March 1998 

  6. Newton et al. Control of strangles outbreaks by isolation of guttural pouch carriers identified using PCR and culture of Streptococcus equi. Equine Vet J 2000; 32:515–526. 

  7. Fonseca et al. Antibiotic resistance in bacteria associated with equine respiratory disease in the United Kingdom. Vet Rec 2020;187:189. 

  8. Pringle et al. Influence of penicillin treatment of horses with strangles on seropositivity to streptococcus equi ssp. Equi – specific antibodies. J Vet Intern Med 2020;34:294-299. 

keyboard_arrow_up